Volkskrant-recencent Kevin Toma deed in zijn zeer lezenswaardige bespreking van de animatiefilm A Christmas Carol van Robert Zemeckis een interessante constatering, die hij jammer genoeg ook gelijk weer wegwuifde:
Zemeckis zegt met de performance capture-techniek te streven naar de perfecte harmonie tussen ‘menselijke warmte’ en technisch vernuft. Dat lukt hem bij A Christmas Carol al een stuk beter dan bij The Polar Express en Beowulf, maar nog steeds zien de acteurs er te gladjes uit, zijn hun bewegingen te vloeiend en krijgt met name hun oogopslag iets levenloos. Het zal echter niet lang duren voordat de techniek zo geperfectioneerd is dat het verschil tussen levende en virtuele acteurs zich nauwelijks nog laat benoemen.
Dat laatste geloof ik dus niet. Animatie — in het woord schuilt het Latijnse animus; geest of ziel… Maar de ironie is dat dat nu precies hetgeen is dat alle computeranimaties missen. Het zijn de ogen, hè?
“Wow, jij windt er geen doekjes om!”, verzucht Taede Smedes tegen zijn interviewer, zijnde: zichzelf.
God is het volmaaktst denkbare, iets dat niet bestaat kan niet volmaakt zijn, ergo: God bestaat. In a nutshell is dat het ‘ontologische Godsbewijs’. Al vlak nadat het bedacht werd, werd het fel bekritiseerd — onder meer door de benedictijner monnik Gaunilo van Marmoutier, die het een ongeoorloofde sprong van het logische naar het ontologische vond. Maar bijna een millennium later wordt er opmerkelijk genoeg nog steeds druk over dit godsbewijs gediscussieerd, nu voornamelijk door atheïsten, in
Je hoort het critici nog steeds vaak sneren: de God van het Oude Testament is een inhalige en oorlogszuchtige stamgod. Dat is inderdaad zo, zegt G.K. Chesterton in de onderstaande passage (het vervolg van 