“C. S. Lewis heeft zijn tijd gehad. (…) In zijn boeken ging het vooral om vragen waar christenen zelf mee zitten. Waarom is er lijden? Wat is schoonheid? Belangrijke vragen, dat zeker. Maar niet de vragen van deze tijd. Die gaan dieper. Mensen willen antwoorden op de vraag of God bestaat, en wat het ware geloof is.”
Aldus de Amerikaanse filosoof en theoloog William Lane Craig, in het Reformatorisch Dagblad. Interessant artikel. Slimme kerel, die Craig. Maar ik kan het toch niet geheel eens zijn met bovenstaande opmerking. Niet eens zozeer omdat hij zegt dat C.S. Lewis zijn tijd heeft gehad. (Zou best waar kunnen zijn, hoe veel ik ook van het werk van Lewis hou.) En ook niet omdat het onwaar is dat mensen tegenwoordig met andere vragen zitten. (Dat lijkt me een juiste analyse.) Nee, waar ik me stellig tegen verzet, is de opvatting dat die hedendaagse vragen dieper zijn, zoals Craig beweert. De vraag of God bestaat en wat ware religie is – het lijken me bij uitstek tamelijk oppervlakkige vragen. Sterker nog, het zijn eigenlijk maar amper religieuze vragen te noemen.
Wanneer een wetenschapper iets wil onderzoeken, is het natuurlijk handig dat hetgeen hij onderzoeken wil bestaat. De wetenschapper kan niet onderzoeken wat niet bestaat. Natuurlijk, je kunt zeggen dat een wetenschapper ook kan onderzoeken óf iets überhaupt bestaat. Maar zelfs dan nog gaat er een bestaansvraag vooraf aan zijn onderzoek… een simpel voorbeeld: als een wetenschapper wil onderzoeken of er leven is op Mars, dan hoeft hij niet bij voorbaat te veronderstellen dat er leven op Mars bestaat, maar hij zal wel moeten veronderstellen dat Mars bestaat. Voor de wetenschap is de bestaansvraag dus steeds de eerste en de laatste vraag.
Voor de religie geldt dat echter niet. Mensen worden om tal van redenen religieus — door een ingrijpende ervaring, door een langzame ontwikkeling van het geestelijke leven, door een goede opvoeding, of simpelweg omdat zij hun beknellende, irrationele ongeloof niet vol kunnen houden, zoals A.N. Wilson. Maar ik ken niemand die ooit tot geloof is gekomen puur en alleen omdat hem of haar de rationele godsbewijzen waren medegedeeld. En je kunt ook prima religieus blijven zonder dat zich ooit de vraag aandient of God bestaat.
Zo die vraag zich al aandient — ik bedoel, werkelijk religieus aandient — dan speelt die zich meestal helemaal niet af op het niveau van de kille, theoretische abstracties van het al-dan-niet-bestaan van God waar de atheïsten zo door geobsedeerd zijn. Nee, een werkelijk religieuze godsvraag dient zich eerder aan als geloofscrisis, als geestelijke dorheid, als existentiële vertwijfeling, als wanhoop. Daar schuilt een diepe vraag achter, absoluut. Maar een religieuze grondvraag, de eerste en de laatste vraag? Neuh. De kille afgronden van de individuele ervaring zijn zelden de werkelijk dragende grond van religiositeit.
Hetzelfde geldt voor de vraag wat ‘ware religie’ is. Het gros der gelovigen is daar volstrekt niet mee bezig. En gelukkig maar: het is het type vraag dat zich het best laat beantwoorden door hem niet te stellen. Ik bedoel: een ware bakker is iemand die brood bakt, niet iemand die erover mijmert wat het ware bakkerschap inhoudt. Iemand die zich voortdurend de vraag stelt wat een ware gelovige is, is afhankelijk van hoe hij de hiervoor genoemde vraag beantwoordt ófwel een atheïst óf een fundamentalist — maar hoe dan ook geen ware gelovige.
De clash tussen Craig en zijn atheïstische tegenstanders kan op sommige punten interessant zijn. Zoals het ook best interessant kan zijn om naar tafeltennis te kijken op tv. Ik durf de stelling wel aan dat het hele atheïsme-versus-religie-debat een intellectuele vorm van pingpong is, waarbij een klein met lucht gevuld balletje met veel geweld heen en weer gemept wordt, zonder noemenswaardige ontwikkelingen. Allemaal prima, maar de échte, diepere religieuze vragen — de eerste en de laatste vragen — worden in die debatten niet gesteld.
Want die vragen gaan over schoonheid, over lijden, over hoop en wanhoop, over liefde, over verwondering, enzovoort. Heus, die goeie, ouwe C.S. Lewis blijkt zo gek nog niet…


Een heel mooi stuk. Mooie vergelijking, van die bakker.
Overigens steigerde ik direct over de zinsnede uit het citaat “In zijn boeken ging het vooral om vragen waar christenen zelf mee zitten. Waarom is er lijden? Wat is schoonheid?” Sinds wanneer zijn deze vragen voorbehouden aan christenen? Dat zijn toch zeker diep menselijke vragen, als ik me niet vergis.
Bedankt.
En inderdaad, ook dat is natuurlijk zo. Hoewel ik betwijfel of Craig bedoelt te zeggen dat niet-christenen zich niet met dergelijke vragen bezighouden… Volgens mij bedoelt hij slechts dat Lewis zich vooral tot christenen richt, en dus louter de vragen behandelt die hen bezighouden (i.t.t. de vragen die louter hen bezighouden… klein verschil in woordvolgorde, maar een wereld van verschil natuurlijk).
Maar dan nog… je zegt terecht dat het diep menselijke vragen zijn, en eigenlijk vind ik de suggestie dat die vragen vandaag de dag minder leven ook al dubieus, en bovendien weinig flatteus voor zowel christenen als niet-christenen van vandaag.
Beste Anton,
Zit je niet midden in de wedstrijd? Ik ben het met je eens dat in het debat over het al dan niet bestaan van God vragen over liefde, lijden, hoop en verwondering niet aan de orde komen. En dat een gesprek over deze vragen vruchtbaarder is dan ‘het debat’.
Ik geloof niet (meer) dat God bestaat. Mijn vrouw gelooft wel. Dat kan soms pijnlijk zijn. Zeker als we in een gesprek onze stellingen betrekken. We weten uit ervaring al dat dit tot niets leidt. Ik berij mijn wetenschappelijke stokpaardjes, zij verwijt mij kilheid en abstractie en ontzegt mij de mogelijkheid om wérkelijk iets te kunnen zeggen over lijden, liefde, hoop en verwondering.
Wanneer komen we wel tot elkaar? Als we praten over onze verwondering. Waar verwonderen we ons over en waarom? Door wie voelen we ons geliefd en naar wie gaat onze liefde uit en waarom? Wat hopen we en verwachten we?
Niet-geloven ervaar ik (voor mijzelf) als een bevrijding. Niet omdat ik mij bekneld voelde door geloof of godsdienst – want dat was niet het geval. De zoektocht naar de zin van (mijn) bestaan ervaar ik als een uitdaging. Daarbij geïnspireerd door gebeurtenissen in mijn dagelijks leven, gesprekken met anderen en verhalen – vaak bijbelverhalen, want daarvan ben ik doordesemd.
Ik wil je uitdagen om je batje neer te leggen, om niet-geloven niet automatisch te vereenzelvigen met kilheid en abstract denken, om niet-geloven niet af te serveren als beknellend en irrationeel, om vragen (en antwoorden) over liefde, lijden, hoop en verwondering niet per definitie als religieus te bestempelen.
Wim
Beste Wim,
Bedankt voor je warme pleidooi en uitdaging! Ik zal hier binnenkort op reageren in een post, want dat is deze mooie reactie wel waard.
Hartelijke groet,
Anton
[...] pingpongwedstrijd die het debat tussen atheïsten en gelovigen volgens mij is. Gisteren kwam daarop een uitgebreide en genuanceerde reactie van bezoeker Wim, die ik zo mooi en prikkelend vind dat ik er graag even wat uitgebreider op in ga. “Zit je [...]